Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het theekomfoortje hing een schemerige lichtvlek.

Wie zou ook de lamp opsteken, niemand zat er.

Basser tastte naar lucifers op den schoorsteenmantel en maakte licht. Hoe kaal, hoe onbewoond, alles netjes aan kant, Gerda's stoeltje leeg in een hoek bij het raam, geen stukje speelgoed, dat ze vergeten had en morgen ochtend zou komen halen.

Hij schonk zich thee in en stapte, wachtend tot ze koud was, heen en weer. Ruimte genoeg.

De bekende ruggetjes nakijkend, stond hij even stil voor het boekenrek, het hoofd scheef om titels te lezen.

Hé ja, daar lag ook nog het boek, dat Lena gelezen had en ze hem zoo had aanbevolen. Onwillekeurig nam hij het op en bladerde. Een enveloppe van Mien, Lena's leeslegger zeker, stak er in. Op den achterkant had ze aanteekeningen gekrabbeld over het boek, ook vragen, die ze hem niet had gevraagd.

Haastig dronk hij zijn nog heete thee en schonk weer in.

„Zie zoo, dan heb ik m'n twee kopjes gehad" en het boek onder den arm, de thee in de hand, ging hij maar gauw naar zijn kamer terug. Daar was hij altijd alleen en het boek zou hem wel boeien.

Den volgenden morgen viel er een stortregen van een onweersbui in de buurt, zoodat van het verre huisbezoek, dat Basser zich had voorgenomen te doen, geen sprake was.

Werk dat gedaan moest worden, had hij niet meer.

Sluiten