Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Basser had gerekend twee dagen eerder te vertrekken, maar toen bericht kwam, dat zijn vriend, met wien hij samen een congres in Zwitserland dacht bij te wonen, een paar dagen oponthoud had gekregen, had hij geen lust gevoeld ergens belet te vragen, maar was rustig thuis gebleven. Lusteloos staarde hij door zijn raam in den tuin.

Met zwaar geruisch vielen de grijze regenstralen neer, het water plèrde in kletsvlagen tegen het glas en stroomde langs het staande vlak af.

Over den heelen tuin hing een natte, grijze sluier van nevel, die op alles zwaarmoedig drukte. De paden slingerden daar waterig glimmend onderdoor. Een troepje kippen school druilerig en met ingetrokken koppen, als dikke klompen veeren onder het afdak.

„Jammer, dat het zoo giet, de groene weg is voor den heelen dag niet te begaan, sprak Basser in zich zelf. „Twee uur door een begroeiden weg en weiland, er is geen denken aan," en alsof hij verlegen was met den tijd van zoo'n langen ongestoorden dag, nam hij het boek van gisteren langzaam op, maar las niet. Terwijl hij de bladen langs zijn duim liet kartelen, dacht hij over Lena's aanteekeningen

op de enveloppe.

„Hoe zouden ze het aan zee hebben?" zoo gleed de eene gedachte in de andere over. „Ook regen? 't Is maar een bui. Gerda zal genieten. Wat zou ik haar graag zien spartelen in het water met haai poezelvoetjes."

Sluiten