Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoog opgestroopt, van het aanrollende water op het zand sprongen of met schopjes groeven.

Een bonte mengeling van vroolijke kleuren op het geblaakte strand, waarop de hette van boven neer laaide, maar de zeewind frischheid blies.

En verder nog, de branding-golven, eerst opgestuwd tot schuimende kuiven, dan overstortend en uitrollend over het zand. Daarachter ver en wijd, rondom overspannen door donkerblauwen hemel, waarin de zon gloeiend en stekend stond te stralen, de zee. Met den blik van verre zoekend tusschen de gi oepjes, daalde Basser af en naderde langzaam door de mulle zandlaag.

Daar .waren ze, dicht bij hem, een eindje van de groote massa af.

Lena en Gerda alleen. Ze zagen hem niet.

Het kind zat met de knietjes opgetrokken, de handjes er om saamgevouwen, het hoofdje steunend op de knie, tegen den rand van een kuil. In verlangende aandacht was het gezichtje met open mondje opgeheven tot Lena, die vertelde en iets hooger op den zandrug gezeten, gelukkig neerzag op het luisterend gezichtje onder den breeden hoedrand. Ze merkten hem niet en Basser bleef toezien, genietend. Maar op eens was het weg, Lena zag hem staan kijken, stokte kleurend; een uitdrukking van wrevel bedierf haar blijde trekken, net alsof ze iets hinderlijks zag, waarvan ze zich af moest wenden.

Basser trad toe en zag haar haastig bukken om Gerda op te trekken.

Sluiten