Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Gaat u dan ook mee? En dan verder van de visschers, hè tante, toe, ik ben anders den heelen dag nieuwsgierig."

„Weet je wat, paatje wandelt even op, en tante vertelt verder. Dan kom ik je halen Geren gaan we naar de rivier I"

„Maar gaat u dan niet ver, dat ik u aldoor kan zien!"

Ze kuste hem, weer blij, dat hij er was en riep: „dag paatje, dag dag."

„Vreemd toch! Dat ze een afkeer van me had, wist ik niet. Zoo'n innigen wrevel, alsof ik iets heel moois kwam bederven, iets ongeduldigs had ze. Nee, ze was niet alleen verlegen, ze was ontstemd. Ik begrijp haar niet langer. Toen ze me groette was ze beleefd, toen had ze zich tot veinzen gedwongen. Het gaat haar onhandig af, ware natuur als ze is."

Peinzend slenterde hij over het strand, dicht langs de zee, waar het zand vochtig-stijf was.

De golven kwamen rollend aangezet tot ze struikelden en bruisend woelden, en dan kalm werden tot zacht schuimende, omkrullende randen waaruit kleine fonteinstraaltjes dartel ophuppelden; dan vloeiden ze uit tot groote doorschijnende waterplaten, die langzaam het strand opschoven en waarin de zon tintellichtjes strooide.

Basser keek naar het spel, dat achteraan weer begon, voor het dicht bij hem uit was. De onderste waterplaat vloeide terug, schitterend in strepen van rimpelend zilver, waar het water pakte in den tegenstroom van de aandrijvende laag.

Sluiten