is toegevoegd aan uw favorieten.

Strijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Betje naar bed waren gegaan, in zijn kamer. Hij dacht nog eens terug aan zijn omgang met Lena, of hij te vrij was geweest, of ze uit een blik, uit een enkel woord, hem ontsnapt, had gemerkt, wat in hem omging, maar het gaf hem geen bevrediging, het bleef duister, tot een invallende gedachte hem moed gaf.

Hij greep de pen en schreef aan Mien, die zou het weten, die kon het zeggen. Ook Lena kwam tot een besluit, maar geen kalme vrede vervulde haar hart, zooals ons deel is, als we na lang worstelen of uitwegen zoeken, eindelijk opgaven wat ons onmisbaar scheen; als we eindelijk den voet, die ergerde, afhieuwen, wat het ook kostte. Geen stille overgegevenheid en rusten in Jezus' armen, omdat ze wegrukten, wat scheidde van Hem, veeleer een verstijving voelde ze, alsof er iets in ijsboeien gekneld werd.

Dikwijls had ze gezucht: „Gaf de Heer mij maar een andere plaats, ik moet hier vandaan. En nu daar een open weg was, had ze zich gedwongen met geweldige wilskracht, tot wat ze niet wilde.

„Maar het moest het zou."

Dof en afgemat lag ze neer tot eindelijk de slaap haar deed vergeten.

Toen den volgenden morgen Gerda's guitig stemmetje riep: „Tantetje, wat slaapt u lang!!", schrok ze op, in een vaag besef, dat er iets heel naars was.

Maar zoodra ze nadacht, kwam uit dat onbestemde weeë het stellige en onvermijdelijke: „Ik moet het Strijd 1