Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedaald." Haar oog dwaalde de kamer rond, over een tafeltje met fleschjes, een inneemglaasje, druiven; langs de stoelen, alle leeg, netjes op hun plaats, Gerda's speelhoekje, zoo keurig opgeruimd; naar buiten door den leegen tuin, vol teere lentetinten, waar een klein schopje met kruiwagentje nog in het gras stond en vergeefs wachtte tot kleine Gerda er mee kwam spelen.

Lena zag het alles, zoo stil en somber zonder Gerda s huppelstapjes of haar vroolijk stemmetje keuvelend in den tuin tegen de vogels en bloemen.

Maar telkens keerde haar oog terug naar het kleine kopje op het kussen, en rustte er lang en innig op, alsof ze vroeg, of het nog wel weer die hooge kleur zou verliezen en de blauwe oogjes weer vroolijk zouden schitteren van dartelheid inplaats van in koortsgloed. Dan drukte ze het handje vaster in de hare, en fluisterde: „Misschien is het beter zoo."

Zoo zat ze daar in stille berusting, nu was het vrede in haar. Zoo kon ze Gerda afstaan, aan God wilde ze haar geven, maar niet aan menschen. Alleen, als ze den vader voor zich zag, beroofd van het eenige, wat hem het leven gelukkig maakte, alleen zijn leven voort levend, werkende zijn werk, totdat ook voor hem de tijd zou komen, dat zijn taak voleind was; als ze aan hem dacht, dan leed ze, dan wilde ze het kind rukken uit de armen des doods, die zich naar haar uitstrekten, dan bad ze: „O God, roep uwe engelen, uitgezonden om haar te halen, terug. Spaar hem dit."

Sluiten