Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

korte, voor geen misverstand vatbare vraag: „Wil je mijn vrouw worden."

Heftig was haar antwoord:

„Waarom mij ook dat ontnomen, het eenige dat ik mee kon nemen."

„Wat? Wat neem je mee?"

Het bleef stil.

„Lena, zeg dan. Wat eenige."

„Ik heb geleerd u hoog te achten, ik zag tegen u op, leerde van u, bewonderde u. U waart anders dan „de menschen", u waart hooger en edeler. Zoo iemand te kennen en tegen zoo'n karakter op te zien, is iets heerlijks. Ik had zoo graag die herinnering met me meegenomen, het leven door. Ik had niet verwacht, dat U mij dat kondet vragen."

„Maar Lena, verneder ik me dan daardoor. Heeft niet ieder rechtschapen man het recht een vrouw te kiezen. Zou niet ieder ander je hand mogen vragen ? Je zou toch anderen niet verachten, als ze met mijn vraag tot je kwamen, al weigerde je misschien.

En waarom heb ik dan niet dat recht, zeg, waarom ik niet? Ik zeg je, opdringen wil ik me niet, ik vraag, opdat jij vrij bent af te slaan. Maar ik wil, dat het tusschen ons zij een open ja of neen."

Bijna dreigend-fier, beleedigd was zijn houding. Lena deinsde niet, ze was krachtig en zag tot hem op, in zijn dreigende oogen.

„Nee, u niet, omdat u mijn vriend zijt geweest. U moogt mij door die vriendschap niet dwingen. Hier in uw huis ben ik voor het eerst recht gelukkig

Sluiten