Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ammerberg wachtte, zijn vrouw zag rhem aan. Haar oogen, die als open gingen van licht, spraken sterker nog dan haar woorden:

„Bert, we moeten gaan, we moeten. Ik weet het duidelijk. Dit is de laatste stem, die roept. Zouden we hier blijven nestelen in onzen weeldekring als een poes in zonneschijn, alleen om zelf warmte te hebben.

Onze plaats hier zal niet leeg gelaten worden; voor jouw stem tot de gemeente zal een andere roepen; voor ons geld zal andere hulp komen. Hier in de stad, waar ieder kan lezen, waar ieder een bijbel kan krijgen, waar kerken en evangelisatie-lokalen met open deuren staan om de menschen binnen te laten, hier kun je gemist worden.

Maar daar is voor dien grooten nood, die schreit uit zooveel hongerende harten maar één redder."

„Als je zoo moet leven voor je brood." Voel je niet uit dat woord den machtigen sleur van beslommerende zorgen, die als een net de ziel, die omhoog wil, weerhoudt. We moeten gaan. Zoo heeft God ons rijk gemaakt voor Zijn armen in het vergeten dorpje. Een groot voorrecht van rijk zijn, is geven."

„Vrouw, ook ik heb beslist."

Die enkele woorden kwamen ernstig en langzaam.

Bij Elise werkte de sterke impuls als een rukwind, die de wateren haars gemoeds deed opbruisen en stuwde tot krachtige golven; bij hem hadden ze lang in troebele roering gewoeld, maar als had nu de

Sluiten