Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Jelles, zou je wel gaan? Zou het wel goed voor je zijn? Heb je al gegeten, straks moet je naar je werk. Je kan met een leege maag toch niet gaan Toe, ga mee."

„Zij zal er zich wat van aantrekken of ik rap van den honger, ze is te lui om te koken, dat wijf, dat ik daar thuis heb zitten. Ik zal haar der karrekas in mekaar trappen."

„Ik zag een pot op 't vuur staan, het zal gaar zijn, toe ga mee, anders wordt het koud."

„Aangebrand en niet gaar, ze staat liever aan de deur te kletsen dan naar 't eten te kijken."

Al mopperend keerde hij en Elise ging dicht naast hem mee terug. Hij sprak niet tegen haar en zij liet hem in zijn zwijgen, ze voelde zich onhandig en wist niet met een dronken man om te springen. In huis zaten de kinderen om de tafel, een paar op een blok hout, hun bord op schoot. Jelles school naar zijn hoekje en schepte zich een bord vol aardappelen. De kinderen loerden schuw naar hun vader, maar aten gretig door, ook Jan met een bult aan het hoofd at gulzig mee.

,/t Zijn me portretten; die rakkers, je zoudt ze de armen uit hun lijf draaien," bromde Jelles tusschen zijn aardappelen door. ,,'k Heb al wat verdriet gehad van die kinderen van m'n vrouw, die Hazen. En ben ik niet net zoo goed voor hen als voor allemaal, verdien ik niet net zoo goed voor die Hazen de kost als voor m'n eigen kinders."

Elise zag om naar de Hazen, ze aten lekker door,

Sluiten