Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een stoffer achter je aan te loopen om de zandjes van je voeten op te vegen, of om te kijken, of meneer ook soms asch laat vallen. Als jij wat breekt, ben je blij, dan kan je nieuw koopen. Als Hein alles kort en klein slaat, mag ik van de scherven eten. Nee mensch, je weet zoo niet van ons menschen hun bestaan. Ik loop nou al op mijn tiende, dat is te zeggen, zes heb ik er eten te geven, van drie heeft onze lieve Heer ons afgeholpen. Gelukkig voor de schapen. Nou al weer een er bij, dat ongeluk overkomt mij ook nog."

„Ongeluk? Is een kind dan geen zegen van den Heer. Als je er geen had, zou je er om bidden."

„Nou mevrouw, dat kon je wel er eens mis hebben, een zegen, zoo'n hok vol rekels, die je de mond open moet houden, voor menschen als uwe misschien wel.

Ik weet het wel, dat je het goed meent met me, maar je moet niet denken, dat we het zoo kunnen hebben als uwes, nee mensch, dat is voor de rijkdom. Het zit hem alles in 't geld."

Moe van haar inspanning en aandoening met Jelles, had Elise geen geestkracht om tegen te spreken. Ze had gehoopt, dat deze ervaring, zoo versch, dat hart een weinigje ontvankelijk had gemaakt voor een ander leven, maar de zelfde woordenstroom van andere keeren, dat ze getracht had vrouw Jelles op haar slordig en vuil leven te wijzen, zonder haar boos te maken, had haar geantwoord en altijd werd haar verweten:

Sluiten