Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Hè ja, Bert, heb je tijd. Ik heb behoefte om te praten."

Door het tuinhekje waren ze dadelijk in het veld en gingen over een smal kronkelpaadje dwars de hei over.

„En waar wou je over praten. Wat dacht je zoo weemoedig, toen je uit stond te kijken?"

„Eerst dacht ik alleen over de hei, die zoo weldadig warm lag; ik wou, dat er zoo'n warmte, geen stekende schroeiende zonhitte, maai zoo'n zachte gloed kwam in mijn hart."

„Is het dan koud?" vroeg hij haar sterk aanziend.

„Ja 't is koud, je begrijpt me wel, het is koud voor Heiveld, niet koud voor jou, aan zooiets dacht je toch niet?"

„Het kon zijn, het eene oogenblik voelt men zijn liefde, voelt men zich zelf sterk, het andere leeft men onbewust en voelt men ook niet zoo waaraan (lat leven gebonden is. Ik dacht, dat je daarom praten wou, dat we elkaar konden voelen."

„Ach nee, Bert, jou voel ik wel, je geeft me zoo je heele innerlijk leven en gelukkig, want we moeten voor elkaar alles zijn, wat we aan aardsche liefde

genieten. Kinderen God gaf ze ons niet en dat

geef ik aan Hem over. Maar er is iets anders, dat ik niet kan overgeven en mijn hart in twijfel brengt. Er zijn van die teleurstellingen, die binnen in je liggen als iets levends, dat spreekt, maar andere dingen gaan er over heen en roepen luider, zoodat je niet luistert naar de onzekere taal van die eerste,

Sluiten