Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoeven er geen boterham minder om te eten."" Als we in de stad gebleven waren en ieder jaar een som geld stuurden was het even goed. Daar werkten we met zegen en waar is hier de vrucht, ja waar kan ze komen ? En dan komt een twijfel in mij op, ot we ook misverstaan hebben. Het is vreeselijk om het licht van je roeping te zien uitgaan."

Een kind sprong hen te gemoet uit een klein wit huisje, dat half wegschool in een dennenboschje.

Het gouden licht viel schuin door de ijle kruinen tusschen de stammen, die schaduwstreepen wierpen op het rossig naaldenkleed. Als een fantastische gloed hing achter het huisje in de dennen. Elise zag het kind. Het was dat meisje met te groote blauwe oogen in een bleek gezichtje, dat haar op zondagsschool altijd zat aan te staren, alsof ze de woorden van haar lippen afkeek. Het was dat kind, dat niet tegen psalmen zingen kon, „omdat ze daar bijna van ging huilen." Hard kwam ze aanloopen een bosje margrieten omhoog houdend.

„Juffrouw, wil u ?"

„Och, malle meid, kom hier, denk je dat mevrouw die bloemen uit het veld noodig heeft," riep de moeder, „mevrouw heeft rozen en alles, elke week een doos vol uit de stad, heeft Betje me verteld."

Het kind liet teleurgesteld de margrieten vallen.

Elise keerde zich snel om, een hoog rood vloog op haar bleeke wangen, ze moest een traan wegknippen. Toen wendde ze zich kalm tot het kind en

Sluiten