Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ons voelen kunnen we in ons houden, als we hun maar brood geven.

En nu ontnemen ze mij mijn kinderen ook. Hun frischlevende hartjes, nog niet verhard door dat loeren op broodgeld, gaven zich. Ik kon voelen uit de oogjes, waarmee ze me op zondagsschool zitten aan te kijken, die helder lichtende oogjes, dat daar binnen iets warms, iets weeks is, dat naar mij uitgaat. Het maakt me zoo gelukkig, het geeft me een gevoel, alsof uit die oogjes een stroom van kracht komt naar mij toe, zooals een electrische stroom overgaat van de eene pool op de andere. Al die stroomen samen dragen en inspireeren mij. En nu gaat men in die kleine hoofdjes ook het fatale denkbeeld planten: Ze heeft het niet noodig, omdat ze genoeg te eten heeft.

Nee, toen we naar Heiveld gingen wisten we niet, ik althans niet, dat zooveel gegeven moest worden. Ik stelde me voor ruwe, eenvoudige menschen, die omdat ze natuurmenschen zijn, te feller in hun antipathie, maar ook te meer waar en onbaatzuchtig in hun genegenheid zijn. Menschen, waar wilde poözie in zit, omdat hun leven onbesnoeid is en de uitingen er van niet in vormen werden gedwongen. Ik dacht, dat ik hier geen menschen zou vinden als in de stadsachterbuurten, die hun leven slijten tusschen vuile muren, schreeuwende kinderen, vunze dampen en grauwe straatsteenen, menschen, die altijd loopende machines zijn geworden. En wat zien we? Kleinzielig gevit op ons, omdat we hooger en anderszijn

Sluiten