Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dat had ze wel meer, dat een brok leven in haar viel, zoodat ze het niet meer kwijt kon raken. Dan zag ze de kunstidée in het refiele.

„Dat is om te schilderen," riep ze verrast. „Wat lief."

„Wat lief? Een schilderijtje, hè? Wou je soms komen om onze armoe te schilderen? Dat is mooi, hè, om te zien. Maar om zoo te leven, dat isleelijk. Je wil ons zeker wel betalen, een kwartje in het uur, als we voor je zitten in onze hongerlompen, zooals voor de heeren van de krant, die portretten van ons maken. Hoe magerder we dan zijn, hoe mooier. Met je geld mag je verdienen, zonder dat je je witte vingers voor wat anders uitsteekt dan om te tellen wat je meer kreeg dan je uitzette, maar met de armoed van mijn kinders geld verdienen ? Dan steel ik het liever, versta je?"

„Man, stil toch," kwam vrouw Marks sussen. „Bedenk toch tot wie je spreekt, het is dominee's mevrouw."

Elise zag angstig op tot het woeste, zwartgebaarde gezicht van Marks, waarin de oogen diep fonkelden. Haar schuchtere distinctie was de volle tegenstelling van zijn brute kracht. Hij trad dichter op haar toe, ze sidderde, niet uit vrees voor zijn dreigende krachtsgestalte, maar voor de bitterheid, die de woorden van zijn vrouw zouden opwoeien.

„Tot wie ik spreek?" barstte hij los, meer tot Elise dan tot zijn vrouw. „Tot een mensch, zooals ik er ook een ben.

Maar d'een heeft geld, veel te veel, dat hij ziek

Sluiten