is toegevoegd aan uw favorieten.

Strijd

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik weet het, ik heb het weer gezien, maar als de dominee thuis is, kan het te laat zijn. Croup werkt zoo ontzettend snel en onverwacht. Zeg aan den dominee, dat ik naar Marks ben, daar zal hij me vinden, als ik niet thuis mocht komen."

Daar ging ze den regenstorm in, de rokken opgespeld in een dikken droef, met een regenmantel er over. Alle deuren waren stijftoe, alle ramen dicht als slapende oogen. De straat lag donker tusschen de gevelopstanden, op verre afstanden van elkaar een zwakke lichtkring om een lantaarn, die met een walmerig pitje doelloos stond te gloeien in de leege duisternis. Schuw gleed Elise's kleine gestalte, tegen de huizen schuilend, er door.

„Eerst naar Blok, hij heeft paard en rijtuig, hij kan den dokter halen. Maar.... o, dat zelfzuchtige hart, hij zal zijn paard en mooi gelakte sjees niet wagen in den storm. Maar hij moet, vraag het, smeek het, hij moet."

De waakhond sprong op en baste zijn hollen blaf door het windgeloei heen, toen het ijzeren tuinhek knerde in de hengsels. Ze week even terug, de hond sprong naar voren.

„Turk, stil jongen, stil, goed volk," vleide ze.

De hond luisterde en ze waagde zich voort over het geelklinkerpaadje naar de voordeur, die op haar schellen een kiertje open ging.

Een stem van binnen snerpte haar door het reetje toe: „Meneer doet niet aan de deur, ga maar naar de dominee."