Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ze tusschen de heistruiken door, ze zag geen weg, maar het licht richtte haar gang. Ver achter lagen de dorpshuizen schuilend tegen elkaar, in massa vast op de vlakte. In die kom was veilige luwte, daar rustte men. Haar kracht raakte op, een gloeiende beving ging door haar leden, die gezwollen klopten. Maar niet omzien.... achter haar zwarte storm.... voor haar zwarte storm. Regen, die op haar neer kledderde. Heel ver weg als een zwarte klomp donkerden de huizen. Niets om achter te schuilen, niemand, die moed influisterde; geen oor, dat haar stem om hulp zou hooren.

Dikke nacht rondom en zij alleen daar midden in.

„Was Hubertus maar hier, dat het ook juist zoo treft, dat ik alleen moet gaan."

Een onbedwingbaar verlangen naar rust en steun overviel haar. Als hij er maar was geweest, als ze zijn arm had kunnen voelen, dan zouden haar moeie voeten niet vertraagd hebben. Dan had hij gehandeld en zij was met hem gegaan. Maar ze voelde, dat nu alles heelemaal op haar aankwam. Haar geestkracht was op van het zich voortdwingen.

Ze struikelde over heibuiten en viel, de handen vooruitstekend, in de wreede bezems.

„O, Heer, ik kan niet meer. Mijn lichaam wil niet voort."

Ze zat, waar ze viel en liet het hoofd op de ingezakte borst hangen. Slap gleden de armen langs haar neer. Er kwam een gevoel van apathie over haar, niets kon haar meer schelen, de regen, de dikke

Sluiten