Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zwartheid rondom, het bulderen van den storm over haar heen, het vergeten-alleen zijn, het was niets, als ze maar achterover mocht zinken en rusten, lang rusten.

Maar het lichtje. Het wenkte.

Toen porde ze zich zelf aan en werkte /dch op.

„Hij geeft den moeden kracht."

Dat woord troostte, het droeg haar, ze voelde, dat Hij gaf. Telkens zei ze het in vertrouwen weer over, als een kind, dat de traantjes weghoudt met: „Moesje zal wel komen."

De weg kortte. Ze zag het huisje lijnen krijgen, het gele schijnseltje uit het raam viel over het tuintje, ze zag het hek er om heen en tastte naar het poortje.

Er was weldadige luwte achter het hutje, ze haalde de hijgende borst vol van stille lucht, die hier niet als op de vlakte door haar droge keel naar binnen joeg. Ze klopte.

„Heer, ik dank u, dat ik er ben, dat Gij mij bracht. Maar ga met mij binnen, geef mij de kracht van uwen Geest, macht over de harten."

De voorzichtige klop was niet gehoord, Elise bonsde harder.

Gestommel, en het grendeltje wrikte los, de deur week open. Kalm licht vloeide Elise tegen.

„Wat levende ziel is hier verdwaald, kom binnen!" sprak Marks.

„Ik ben het, ik kom voor je kind."

Marks trok haar binnen, in het licht en stond ontzet voor haar.

Sluiten