Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„KROMME ANN'KEN."

I.

Het huisje van Teun Jalink stond ver van het dorp aan den straatweg, een oude eikenlaan, die in sierlijke krommingen langs den hoogen esch liep. De ramen keken onder de eiken door over het akkerland, waarom de kleine pachthoeve „Kiek in 'n esch" genoemd werd en de naam Teun Jalink plaats moest maken voor „Teune van Kiek in 'n esch."

Teun moest geducht ploeteren om met „Sunt Jaopik" de pacht bij elkaar te hebben in het bonte zakje boven in ,,'t kamnet", dat zijn vrouw van haar grootmoeder erfde. De schrale zandgrond gaf harden arbeid, vroeg veel mest en beloonde slechts met een karigen oogst. Maar het ging dank zij de zorg van Dika, Teuns vrouw, die de handen uit de mouw kon steken en op het land werkte als een boerenarbeider. Van haar was ook de roodbonte, die twaalf „bekk n ') gaf, het was de „broedskoe". Haar kabinet, dat met pompeuze deftigheid de andere meubels nietig

*) een bekken is circa anderhalve liter.

Sluiten