Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de geit mee. Het dier was dartel en rukte aan den ketting. Met schokken tegenhoudend draafde ze mee tot voor de staldeur. Met één hand hield ze den ketting en lichtte met de andere het klinkje op. Plotseling maakte het dier een zijsprong om haar heen, zoodat de ketting om haar beenen trok en ze viel. Haastig grabbelde ze naar den ketting, maar het beest sprong weg en holde den straatweg op. Op haar klompen kloste ze zoo gauw ze kon voort, maar de sik was al een heel eind ver onder de boomen als een huppelend wit dingetje. Ze smeet de lastige klompen uit en liep haar na; juist wilde ze den ring, die over de steenen slierde, grijpen, toen het dier met een dartelen sprong haar weer voorkwam. Weer aan het loopen tot dicht achter haar. Nu voorzichtig, op de teenen haar nasluipen.

Daar had ze de ring glipte van onder haar

vingers en rammelde weg. Zij er achter aan.

Maar het stak en klopte zoo in haar zij, ze kon geen adem meer krijgen. Telkens sprong het beest weg, ze zou het toch niet krijgen. Haar krachten waren op. Daar in de verte kwamen de kinderen aan, de „jongens" uit school, die zouden het wel opvangen,.... maar Gerrit was er bij. Hij zou het verklappen. Tranen van spijt kwamen haar in de oogen. „Ze zult mii oetlach'n, de freule, née, dée zal toch nich met lach'en, dat zol nog slimmer wéën as van Gait."

„Jong'ns, n'n sik," riep Hofluuk's Harm, de grootste van het troepje, „kom jong'ns, wii vangt èm op."

Sluiten