Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zij wilde nu den ketting overnemen, maar Harm hield vast.

„Nèe, Ann'ken, dów kans toch nich nöngs ') de freule loop'n met 'n sik, dat gif gin pas. Ik zal èm wal in 'n stal zett'n."

„Harm is zoo'n goede jongen, ik houd van hem, jij ook?"

„Ja, freule, ik mag hem graag."

„Ik zal nou niet vaak meer met hem naar school gaan, overmorgen ga ik weg. Zie je, papa zegt, dat ik naar kostschool moet, maar ik vind het erg vervelend. Hier hebben we nog eens pret onderweg en kunnen we wortels of knollen trekken."

„Ga je dan voor goed weg?"

„Ik moet wel, morgen voor het laatst naar school."

„Hè, dan zie ik je nooit meer voorbij komen, ik wachtte altijd op je."

„Dat vind ik aardig, ik zag je ook eiken dag, maar nu ben je al thuis, daar heb je Harm, de sik staat al op stal."

„Dank 'ów Haerm, dat ii èm hebt opevang'n."

„Daor zas 't veur hebb'n," antwoordde Harm en sloeg het voetpad in, dat naar zijn huis voerde. Anneke groette de freule en keek haar nog een poosje na. „Nón kan 't mii nich mèer g'n dag zegg'n. 't Was zoo plezéerig," sprak ze treurig. Den volgenden dag om half vijf stond Anneke den straatweg op te turen, een bosje rozen in de hand. De doorns

') naast.

i

Sluiten