Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had ze er één voor één afgebroken en de stelen saamgebonden met een zijden lintje, dat ze nog eens van een meisje op school had gekregen. Daar kwam de freule aan, alleen, de anderen waren een heel eind achter.

„Dag Anneke, wacht je op mij?" riep ze al.

„Ja, freule, ik wou je die rozen geven."

„Hè, die wil ik graag hebben, wat een mooie, en een zijden strik er aan. Dank je wel, hoor."

„Omdat je mij altijd zoo goeden dag zei. Dat was zoo prettig."

„Had ik maar iets bij me, dat ik je kon geven als een herinnering. Met kerstmis kom ik thuis, dan zal ik je wat meebrengen. Ik dank je wel voor de rozen, ik zet ze thuis in de mooie vaas, die ik van mama kreeg. Het is een herinnering aan jou en aan „Kiek in 'n esch." Maar nou moet ik gauw verder, ik heb ma beloofd vroeg thuis te komen. Dag Anneke, tot kerstmis. Het beste hoor."

Anneke durfde het fijngehandschoende handje maar licht drukken en sprak verlegen: „Dag freule, ik dank je voor voor de vriendelijkheid."

„Wel, daar dank ik je ook voor, tot kerstmis dus."

Anneke oogde de kleine gestalte, die de eikenlaan doorging na, tot ze de anderen hoorde komen. Die hoefden er niets van te weten.

Sluiten