Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

III.

Het was kerstmis. Anneke zat voor het raam in een ouderwetsch boekje te lezen, maar het boeide haar niet, ze keek meer naar buiten dan in het boekje.

Er was veel sneeuw gevallen. Een stilte hing rondom, die je den adem deed inhouden om ze te hooren. Eerst de straatweg, waaruit aan weerskanten een zwarte stammenrij opging om de sneeuwige kruinen te dragen. Door de open vakken tusschen de boomen keek je ver en breed over den esch. Rein, als in ongerepte wijding lag hij daar, met zachte glooiingen onder het mollig dikke sneeuwdek voortdeinend tot tegen het sparrenboschje. Daar brak de zon door en wierp met wijden zwaai een blauwen glans door het schuchterstille landschap, dat nu ging schitteren met tintelende sterrelichtjes. De hemel klaarde tot een azuren gewelf over de witte tooverwereld. Sneeuwkluiten begonnen van de takken te vallen op den weg, waar in het midden diepe wagensporen met een platgetrapt paardengangetje er tusschen, door het sneeuwpak liepen. De laan was hol en leeg.

„Zol de freule d'r an denk'n, 't kan ook wat laater komm'n, de vacaontie doert tot in Januari. Der lig ook volste völ snée, 't zal van daage nich komm'n." Maar toch keek Anneke telkens weer den weg op tot aan de bocht. Opeens kwam een donker figuurtje van achter de boomen en stapte naar „Kiek in 'n esch." Een blos vloog over Anneke's wang.

Sluiten