Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo wandelden ze na een tijdje op naar de hoornen achter het huis. Gerrit en Marie arm in arm, Harm en Dina een eindje er achter. Zij durfden elkaar nog geen arm geven op klaarlichten dag, maar liepen vertrouwlijk dicht naast elkaar te fluisteren.

„Kom Ann'ken, gées dów nich met," riep Dina omkijkend.

„Wat za'k met dóen te gaon, 'k hebbe de beume al vake genóg ezéen. 't Kan mii nich verschell'n."

Ze stond hen na te kijken, nu ze weer doorgingen. Ze hadden het druk met elkaar, de hoofden draaiden telkens naar elkaar toe en ze liepen al zachter en zachter. Harm vroeg haar zeker voor de kermis, hij mocht haar „droevig gaerne."

Anneke keek treurig op de leege plaatsen; ze had geen zin om er alleen weer te gaan zitten. Ze wist zelf niet, waarom ze zoo triestig was, niemand had haar een stroo in den weg gelegd, het weer was prachtig, Harm was zoo vriendelijk en Dina had nog wel gevraagd of ze meeging. Zonder doel drentelde ze rond en dwaalde den kant van het prieeltje op; het was een dikbegroeid klimop-koepeltje, stijfrond met een poortje er in opengelaten. Van buiten groen, van binnen kale takken en latten met spinrag en dorre bladeren. Ze liet zich op het verweerde bankje loom neer en keek naar een rups, die voor haar voet op den grond kroop, het harige rugje telkens dik opkrommend. Na een poosje hoorde ze de anderen terug komen en Harm „dag móed'r, dag tante" roepen. Ziene en haar zuster, wandelden langzaam den weg

Strijd '5

Sluiten