Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VI.

De keuken van „Kiek in 'n esch" zag er somber uit. Het koperbeslag aan het kabinet blonk wel, het valletje hing in stijve witte plooitjes als vroeger om den schoorsteen, waarop blauwe borden stonden, het vuur op de haardplaat knepperde en roode vlammetjes lekten om den zwart beroeten ketel. De vloer was netjes met wit zand bestrooid, Anneke zat in haar hoekje, alles als vroeger en toch zoo zwijgend somber, al gleed een zonnestraal naar binnen om glimlichtjes in het koper te werpen. Anneke stopte een kous, ze moest te vaak op om naaiwerk onder handen te nemen. Teun zat in een hoek en tuurde in het vuur. Af en toe ging een zucht van hem door de zware stilte. Het paarse bedsteegordijn was half opengeschoven, een paar lange magere vingers kromden zich over de beddeplank. Zacht kreunde het achter de gordijnen. Anneke stond op en liep op kousen over den zanderigen vloer om het kraken. Voorzichtig boog ze zich tot half in de bedstee.

„ Ann'ken ?"

„Jao Gait 'k bin hier wal, wat woj hebb'n?"

„'n Betjen water."

„Nemt maer melk, da's better veur ów."

Ze richtte met den rechter arm den zieke wat op en bracht met de vrijgebleven hand het kommetje aan zijn lippen. Slokje voor slokje moest het gaan en nog scheen het hem te vermoeien.

Sluiten