Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Hèj nog heufzèerte ')? Za'k 'n dóek nog es nat maak'n, Gait?"

Jao."

Met teedere zachtheid nam Anneke de compres van zijn voorhoofd en legde er een frissche voor neer.

„Hè jao, danke dii Ann'ken," sprak Gerrit zuchtend.

Anneke's oogen rustten nog even op hem, er lag iets teer-weemoedigs in dien blik. Zij wist wat zwak en pijnlijk zijn was en dan voor een jongen als Gerrit, die nog geen dag te bed had gelegen, die altijd sterk was geweest en „alle jong'ns der oender ekréeg'n hadde"; voor een jongen als Gerrit, die in volle jonge kracht het leven te gemoet ging en zich omhoog gewerkt had; die een meisje kon vragen, omdat hij een vrouw zou kunnen onderhouden ; die zich zelf een toekomst had gegeven door hard eerzuchtig werken. Hij had nog pas opslag gekregen vóór het ongeluk hem trof. Het was zijn voor niets staande wil geweest, die het hem op den hals had gehaald. Het had hem kriegel gemaakt, te zien, hoe twee luie vlegels van jongens met halve kracht stonden te trekken om een stuk ijzerwerk te versjouwen. Driftig was hij toegeschoten en had er met volle macht den schouder tegen gezet. Maar plotseling had hij los moeten laten, het klare bloed golfde hem uit den mond, een ader in de long was gesprongen.

') hoofdpijn.

Sluiten