Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik was al in besprek met een dokter om zijn praktijk over te nemen. Ik had prachtige plannen, maar ik moest nog heel wat leeren: ik was nog niet klaar, al had ik jaren lang gestudeerd. Wat leek het mij hard toe van God om mij nu juist ziek te laten worden, vlak vóór het examen, waarvoor ik zoo geblokt had. Ik stond klaar om een mooi leven in te gaan. Als student gold ik voor een knappen kop en met eerzucht haakte ik naar praktijk. Ik wou beroemd worden en voelde, dat ik het zou kunnen. Daar werd op eens het beeld, waaraan ik jaren met hart en ziel had gewerkt, stuk gegooid, nu het bijna af was. Het was hard en ik stond op tegen God. Anderen, die niet zoo hadden geploeterd als ik, kwamen klaar en vestigden zich. Toen ik zwaar ziek lag, was ik natuurlijk te naar om recht te denken en te voelen, maar toen ik beter werd, kwam alles des te klaarder voor mij staan. Ik was verbitterd. Mijn moeder leefde toen nog."

Harte wachtte, als kwamen er herinneringen op, die hem geheel in beslag namen. Anneke keek verwachtend naar hem op, maar Gerrit lette op mieren, die heen en weer over een weggetje wriemelden.

„Ja, Moeder verpleegde mij, dat was heerlijk. Ik zag, hoe zij zich gaf in alles, wat God met haar deed. Ik was haar eenigste zoon, de jongste van de kinderen, de anderen waren getrouwd. Eens hoorde ik haar bidden, ze dacht, dat ik sliep. Ze vroeg: „Heer, leer mijn jongen, wat hij leeren moet in deze beproeving, die Gij hem zendt uit liefde."

Strijd 16

Sluiten