Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

haar een dood van pijn en schande stierf. En pijn hebben, een versmade te zijn onder de menschen, Anneke wist, wat dat was. Zij had den Heer niet lief, ze had nooit veel aan God gedacht. Niemand had haar van Hem gesproken, ze kende Hem niet. Beschamend helder herinnerde ze zich, hoe vaak ze had gezucht, boos gezucht, omdat ze anders was dan andere menschen; ze voelde terug den afkeer, waarmee ze naar de vroolijk blauwe lucht had gezien in het klimophutje. Ze had er de vuist tegen kunnen ballen. In bitteren opstand had ze geklaagd : ,,'k Hebbe mii zöll'n toch nich emaakt, ik kan 't nichte better'n da 'k mismaakt en krom bin. Gin mensche

kan 't helpen, maer " Neen, een mensch niet

o, ze wist het, wien of ze gehaat had op dat oogenblik. Gerrit had ze lief en hem zou ze zoo niet kunnen aanzien, al deed hij haar het ergste, wat ze zich denken kon. Vóór zijn ziekte had ze niet geweten wat liefhebben was, maar nu begreep ze wat ze voelen moest voor den Heer. Wat je liefhebt, daar word je naar toe getrokken, daar gaat je hart naar uit. Daar werk je voor, daar geef je alles voor op, dat maakt je gelukkig, zoodat andere dingen je niet zoo hinderen, daar denk je kleinigheden voor uit om genoegen te doen, daar laat je voor wat verdriet kan geven. Wat je liefhebt, geef je macht over je. Het komt van binnen in je leven, waar je het vasthoudt, dat niemand het uit kan trekken. Je beschermt het als iets, dat mooi en teer is, waar geen ander, die het niet begrijpt, aan raken mag.

Sluiten