Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schijn terug was gekomen, was met den herfst weer weggezonken en toen de boomen weer met naakte kruinen stonden en de gure wind over den kalen esch woei, moest Gerrit weer achter de paarse gordijnen. Af en toe klonk zijn holle kuch door de keuken. Hij sprak niet veel, maar lag rustig neer en luisterde, toen Anneke hem ging voorlezen uit haar Nieuw Testamentje. Een teringglimlachje trok om zijn mond, als hij Anneke aanzag met zijn holdonkere oogen, die schril wegzonken in het ziekigwitte vel. En als de dokter kwam en vroeg: „Gerrit hoe is het?" dan was het, „Kiek, dokter, aj mii dat höest'n af kónn'n nemm'n dan zol 't wal bettern, want 'k veule mii nich zéek, dat dóe 'k nich, maer den leell'ken hoest, den hooit mii d'r oender."

Harte sprak nog minder dan vroeger, het leek wel of hem iets drukte, dat hij niet af kon schudden, als hij bij „Kiek in 'n esch" de deur in kwam. Een praatje maakte hij zelden en voor het weggaan draalde hij even, alsof hij niet wist, of hij nog wat zeggen moest of niet. Hij reed ook vaker voorbij. Maar toen hij weer over den straatweg reed en al een paar boomen verder was dan „Kiek in 'n esch", hield hij in eens zijn vos met een beslisten ruk tegen en draaide.

„Ik breek er door heen," sprak hij in zich zelf, het erfje oploopend. „Ik ben dokter, maar eerst christen, schade in mijn kleine praktijk of niet, waar wil ik zijn. Ik mag niet meedoen aan dat paaien met een waan van beter te worden, totdat hij onvoorbe-

Sluiten