Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In plaats van naar pijnen of eetlust te vragen, zat Harte stil te kijken. Zijn gelaat stond ernstig van nadenken. Dika zat hem in angstige spanning aan te staren, maar hij voelde het niet. Op eens werd hij levendig, als had hij helderheid gekregen in zijn vraagstuk, keerde zich tot de zieke en sprak met nadruk: „Anneke, het gaat zoo niet goed."

„Nich dokter? Zoovölle slimmer zin 'k ans nich." „Toch gaat het niet goed, en het moet anders worden, het kan goed gaan, geloof je dat wel?"

,,'k Wéét nich, dokter," antwoordde Anneke verlegen. Ze durfde hem niet aanzien, zijn stem was vast en streng en gaf haar een angstig gevoel van zelfverwijt. Maar zijn toon veranderde en milder, bijna teer als tot een kind, ging hij voort: „Anneke, wil je me eens heel eerlijk zeggen, je hebt toch den Heer wel werkelijk lief? '

„Jao wisse, 'k zin nich bange um te sterv'n." „Anneke, houd je niet meer van Gerrit dan van den Heer zelf, verlang je niet naar den dood, omdat je dan bij Gerrit komt?'

„Waorum vraog ii dat zoo, k kan toch röstig t heuwd dale legg'n en dat is 't vernaomste."

„Nee, dat is het niet. Het voornaamste is om den wil van den Heer te doen, omdat we Hem liefhebben boven alles. God vraagt niet van allen hetzelfde offer, maar wel moeten we allen willen geven, wat ons het liefste is. Gerrit wou graag leven, het leven stond zoo mooi voor hem en hij moest heengaan, zijn leven geven. Maar God vraagt van jou een

Sluiten