Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Lekker hoor, dat is medicijn voor haar. Ik ben toch zoo blij, dat ze volhoudt. Dat is nu werkelijk den Heer dienen met zwakke kracht. Daar is veel meer een zich toewijden aan den Heer dan bij velen, die zich afsloven om voor Hem te werken en pruttelig zijn van oververmoeidheid. Gisteren vond ik haar voor het huis, ze had in lang niet op dat bankje gezeten. Haar hoofd was biddend gebogen over haar boterham, die ze op schoot had. Ik voelde haar bidden, ze zat zoo in innige devotie gebogen en het zonlicht straalde met goudglans van haar haar weer op. Ik was getroffen."

„Merkte ze je niet op?"

„Nee, ik ben den hoek omgegaan, het was me, alsof ik iets ontwijdde als ik naar haar keek. Ik wachtte achter den muur en bad met haar."

„Haar gebed voor het eten zal wel nooit een vorm worden, ze kan altijd vragen uit behoefte. Man, wat zou je er van denken, als ik zelf het soepje bracht, ik zou haar zoo graag eens zien. Het is verrukkelijk weer; toen haar broer ziek was, sukkelde ik zelf aldoor, zoodat ik hen nooit eens op kon zoeken. Dan neem ik kleinen broer mee, zou ze schik in hem hebben?"

„Natuurlijk heeft ze schik in hem, maar misschien is ze wat verlegen. Onze lekkere dikke baas is niets éénkennig en afleiding is goed voor Anneke."

Moe en warm van het duwen achter den kinderwagen kwam mevrouw Harte bij „Kiek in 'n esch." Daar zat ze, dat was Anneke. Dat was het meisje,

Sluiten