Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waarvan haar man zooveel hield en waarvan hij zoo vaak vertelde. Ze kende haar leven, haar strijd, haar zich geven aan den Heer. Ze had zich al lang ingeleefd in het gezin en in Anneke's karakter. Ze was haar eigen, als iemand, die een plaats heeft gekregen in je denken. Ze was haar lief. Wat had ze dikwijls met Harte voor zijn patienten gebeden, maar altijd met zekere voorliefde voor Anneke. En daar zat ze nu op het bankje, waar Harte haar meestal voorstelde, het gedrongen figuurtje klein tegen het kale muurvlak aan. Ze keek verbaasd op van haar breiwerk, toen een dame naar haar toe kwam.

„Dag Anneke, ik ben moe en warm, ik mag wel even bii ie uitrusten, ik ben de vrouw van dokter Harte."

„O, wisse, zette dii, 'k zal 'n stóel haal'n."

„O, nee, ik wou hier liever naast je op het bankje zitten. Ik heb een heerlijk soepje voor je meegebracht, mijn man zei, dat je het meest van vermicellisoep hield. Ik heb het keteltje maar aan de voetjes van mijn kleinen vent gestopt onder het kleedje. Je moet toch even in den wagen kijken, hij is zoo'n schat. Als hij niet onder weg was ingedommeld, nam ik hem er uit. Hij is heelemaal niet bang."

Anneke boog zich voorover. Wat lag daar het frisch gezonde kopje, met jonge haartjes van onder het mutsje piepend, lekker te slapen. Pareltjes zweet stonden op zijn rose velletje, de armpjes waren uitgeslagen met uitgespreide vingertjes.

„Wat gezoend isse en watte dikke wang'n."

Sluiten