Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Altijd moest hij haar weer aankijken, zooals een kind telkens weer gaat zien, naar iets moois, waar het schik in heeft.

XII.

De ure was gekomen, de bange, de blijde ure.

Angstig-gewichtig was de stilte, die telkens volgde op de pijnkreten van het lijdend vrouwtje.

Op tafel behalve de blinkende koffiekan en servies, bakken met water, een open gelaten pakje watten, olie, zeep, fleschjes, spelden en doekjes. In een hoek, laag op den grond, een plompe mandenwieg, op schommelpooten. Dikke wollen gordijntjes hingen van de ronde kap af over de oppuilende kussens. Een vuurmand, ook met wollen gordijnen stond er naast. Op den vierkanten kop lagen kleertjes en witte doekjes wachtend te warmen.

Ziene, „de wiezemöe'r", ') met een groote witte schort, stond voor de bedstee, waaruit het kreunen kwam. Het was nu even bedaard. Harm, die zenuwachtig heen en weer stond te wiebelen, boog zich voorover tot ver in bed. „Dina, mien wiefken, hè j 't dan zoo slimme. Kan 'k dan niks veur dii doen?

„Dóe mii de voes, 2) jonge."

Anneke zat bij de tafel en reikte af en toe aan, wat de vrouw wijzend vroeg. Ze had een kleur

*) vroedvrouw. 2) vuist.

Sluiten