Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook naar haar, naar tante, zouden ze de handjes grijpend opsteken. Ze zou ze mogen kussen en knuffelen, ze zouden ook van haar zijn, die kindertjes omdat ze ze lief had. Een nieuw leven ging voor haar open: er zou altijd iets zijn om aan te denken, om naar uit te zien. 't Was heerlijk. Als overstelpt door haar breed geluk, dat ze zich nu eerst ten volle indacht, stond ze stil op haar eenzamen gang en zag naar boven. „O Hèer, ik danke, ik danke, dat 't zoo hèerlek is, dat er veur mii ook nog zoovöl is en 't is nón ook nich mèer zoo slimme, dat zin zooas 'k zin, ik danke, da'k nog léve."

En wat kon ze Dina goed helpen, ze zou aan de „wiezemöe'r" vragen, of die haar wou leeren de kindertjes te helpen; geen buurvrouw behoefde te komen als Ziene haar afscheid had genomen, zij, Anneke, zou ze wasschen en kleeden, net als een moeder. En als ze dan grooter werden en lachten, ook tegen

haar, als ze woordjes gingen brabbelen wat zou

het aardig zijn. Dina en Harm zouden eiken Zondag komen en zij zou dragen en spelen met haar kindje.

Het geluk dreef haar voort, het was alsof het haar ophief, zoo licht werd haar anders loome gang. Ze moest het uitzeggen, het werd haar van binnen te vol van geluk. In een oogenblik was ze thuis en gaf het afgesproken teeken: drie tikjes op het luik. De grendels werden met een haastigen bons afgeschoven en Anneke stormde naar binnen.

„Móed'r, vaad'r, twéé in de heija 'n maek'n en

Sluiten