Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beschut zijn; sommige hooge bergstreken, andere het laagland, waar het hun aan frisch water niet ontbreekt. Zij zijn standvogels; bij de keuze van een woonplaats gaan zij zeer zorgvuldig te werk en verlaten deze daarna niet meer. Alle hebben min of meer de neiging om 11a den broedtijd rond te zwerven en dan terreinen te bezoeken, waar men ze in andere tijden van het jaar niet vindt.

Tot het doen van groote reizen zijn zij wegens de gebrekkigheid van liun bewegingsorganen niet in staat. Zij zijn goed ter been en kunnen, als zij willen, in het liardloopen bijna met ieder ander Hoen wedijveren; zij vliegen echter slecht en doen dit daarom slechts in den uitersten nood. In lichaamsoefeningen schijnen zij geen behagen te scheppen; zelfs gedurende den paartijd gedragen zij zich rustiger dan andere Hoenderen. Gewoonlijk stappen zij op hun gemak en zonder zich te haasten rond, met ingetrokken of gebogen hals, den fraaien staart, hun voornaamste tooi, zoo ver opgeheven, dat de middelste veeren niet over den grond sleepen; om sneller te loopen buigen zij den kop tot dicht bij den grond en lichten den staart iets hooger op; in geval van nood maken zij ook van hun vleugels gebruik. Hun wijze van vliegen vereischt krachtige vleugelslagen en gaat daarom vooral bij het opvliegen met een klapperend geluid gepaard; wanneer echter de 1 azant eens een zekere hoogte bereikt heeft, fladdert hij weinig, maar schiet met uitgespreide vleugels en staart als van een hellend vlak in benedenwaartsche richting snel vooruit. I11 de kruin van hooge boomen staat hij gewoonlijk rechtop of vleit zich geheel op den tak neer waarbij hij den langen staart bijna loodrecht naar beneden laat hangen.

Zijn zintuigen zijn goed ontwikkeld, de geestvermogens over 't algemeen gering. Onder elkander leven de Fazanten

Sluiten