Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tonshire, waar ze niettegenstaande liet gebrek aan groote bosschen en de aanwezigheid van vele vossen, volkomen inheeinsch werden. Het waren geharde, stevige, gemakkelijk op te kweeken vogels, uitstekend voor de tafel geschikt en in dit opzicht weder verre te verkiezen boven den gewonen fazant. Dit was in 1881. Tc Ross-Shire, in de bosschen van Lord Tweedmouth, werden tot zestig stuks in een seizoen geschoten, terwijl 15 jaren later, de reeds genoemde Lord Lilford op grond zijner ervaring grootere bosschen aanbeval wegens de wilde en schuwe natuur van dezen vogel.

De beste resultaten zijner acclimatisatie werden in Schotland verkregen. Te midden der donkere bosschen, hooge heide en rotsen leven daar deze imposante gouden en zwarte vogels als het schoonste natuurlijke ornament der bergen. Bij hen bestaat geen poging door hun kleur zich met den bodem te vereenigen. Kracht, spoed en wildheid vormen hun eenige bescherming! Millais gaf in 1806 een beschrijving hunner gewoonten in de bosschen van Lord Tweedmouth te lloss-Shire. Men had ze daar overgeplaatst van een naburige jacht, waar ze reeds als jachtvogel bestonden, en geplant, zooals gewone fazanten, oin in het wild te broeden. De bodem van deze jacht is ruw en bedekt met hooge varens en omgevallen boomen. De fazanten vliegen daarom hoog en hun snelheid is verbazingwekkend. Nooit zal ik vergeten, schrijft Millais, hoe eens uit een hoog bosch van oude Schotsche dennen, vlak boven een waterval en op een steilen, brokkelige» heuvelkant gelegen, deze vogels op mij aankwamen, vergezeld door gewone fazanten en korhanen. Ik zeg „vergezeld door," doch zij snelden feitelijk al het andere wild voorbij, zoodra ze, langstaartige vuurpijlen gelijk, de boomen verlieten. De enorme staart is hun, verre van een hindernis

Sluiten