Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beginnen het eerst de spitsen der staart- en dekveeren, hun karakteristieke kastanjebruine kleur te verliezen. Zij nemen een lichtere schakeering aan. De prachtig schitterende purperkleur van hals en borst verkrijgt een groenen weerschijn en de lange borstelharen worden steeds korter of verdwijnen. Het violet van den kop en het purper der vleeschwratten gaan in gril rood over, en ook de roode kleur der pooten wordt steeds doffer, zoodat zij eindelijk van het vuil bruin der pooten van den tammen kalkoen niet meer te onderscheiden zijn. De wilde vogel begint dus al ineer en meer op den taminen kalkoen te gelijken. AA ij moeten echter hierbij nog opmerken, dat de kleurverandering bij de eerste generaties niet altijd bestendig is. Na den rui pleegt dikwijls het gevederte van den wilden kalkoen weer terug te komen, of dit komt bij de nakomelingschap plotseling weer te voorschijn. Ook treden de schakeeringen van den wilden stam steeds duidelijker weer voor den dag, op toenemenden leeftijd.

De verandering der gestalte houdt met de kleur\erwisseling gewoonlijk gelijken tred en is bij de hen sterker

dan bij den haan.

Zeer interesssant is het, naast die afwijking van gestalte en kleur, na te gaan, hoe de vogels van hun vroegere gewoonten al meer en ineer beginnen af te wijken.

De neiging van den wilden kalkoen, om de hoogste boomen tot zijn slaapplaats uit te kiezen, vermindert in den gevangen staat bij de eerste twee generaties weinig, maar neemt daarna snel af, totdat het dier eindelijk in het geheel geen behoefte meer gevoelt om de toppen der boomen tot slapen uit te kiezen en zich aan de gewoonte van den tammen kalkoen gewent. Argwaan en vrees verdwijnen vooral op de voederplaatsen spoedig, terwijl de troep

Sluiten