Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

brenge men ze met de moeder in een andere — voor vroegbroed verwarmde — ruimte.

De bodem dezer ruimte wordt 3 cM. boog met een mengsel van zand, asch en droge aarde bedekt; niet met stroo, hooi of haksel, eensdeels wijl dit niet zoo zindelijk is, anderdeels omdat de jonge dieren zich daarin moeilijk kunnen bewegen en ongelukken kunnen krijgen. Houdt men de. temperatuur geregeld op pl.min. 20° Celsius, dan kan men meer dan één broedsel aan de zorg van eene kloek overlaten of de kuikens aan eene kunstmoeder gewennen, zonder te vreezen, dat zij bij zulk een temperatuur koude zullen lijden. Behoudt elke kloek haar kuikens, dan is een temperatuur van ongeveer 12 a 13° voldoende. Espanet geeft nog den raad, den bodem der kuikenruimte met een 30 a 60 cM. dikke laag paardemest te bedekken, waarover dan weder 3 a 5 cM. zand of droge aarde, en de kuikens zoolang in deze ruimte te laten, tot ze goed bevederd zijn, d. i. minstens twee maanden, en ze. alleen bij droog, warm weder gedurende eenige uren per dag in de open lucht te doen vertoeven.

De jonggeborenen aan het zelf eten te gewennen, wanneer zij dat niet uit zich zelve doen, is een werk, dat groote oplettendheid en zorg van den kwecker eischt. De heer Wright geeft den zeer praktischen raad om, wanneer de kalkoeneieren zeven dagen bebroed zijn, eenige hoendereieren onder de kloek te leggen, zoodat deze tegelijk met de andere uitkomen en de boenderkuikens de kalkoenkuikens bij het eten als leermeesters kunnen dienen.

Blijkt de tusschenkomst van den kweeker echter noodig, en moeten de kuikens gestopt worden, dan bezigt hij daarvoor vliegenlarven, miereneieren en dergelijk insectenvoer. Dit stoppen moet, helaas, als het mogelijk is, om het half uur

Sluiten