Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EENE HONGAARSCHE POESTA. (Zie nevenstaande plaat).

De oostelijke ligging, ver in het vastland op en de gesloten gordel van gebergten, die de Hongaarsche vlakte, in de voorgaande periode der aardgeschiedenis nog grootendeels eene watervlakte, welke langs de llzeren l'oort hare afstrooming heeft gevonden, omsluit, bezorgen dit land een vastlandsklimaat met koude winters en lieete zomers. I e

JaiUj. Jat dete slede» ..]> de br"eedte» van Orleam e.j U IMJJ liggen. De regenhoeveelheid is met zoo groo als b.v. 111 Nederland. De meeste regen valt er in den zomer, maar dat juist dan de grootste droogte heerscht, komt door de sterke verdainpmgbijdehooge zomertemperatuur, die dikwijls ver boven het gemiddelde stij^ c daarbij in het oostelijke gedeelte gewoonlijk wel 80 a go dagen lang boven 20 blijft. De randen der Groote Hongaarsche vlakte, zelfs nog de lage hoogvlakte tusschen Donau en Iheiss zuidelijk tot Maria Theresiopel, hebben nog bossehen. Langs de Theiss van lokaj af en ten O daarvan tot dicht aan den westvoet van liet Zevenburgsche hoogland, en ten Z. van Maria Theresiopel ook nog tussclien Donau en Theiss strekt zich de steppe uit over eene oppervlakte van bijna 35000 KM'-. (Nederland 33«>00 KM2.) Hier beperkt de droogte den boomgroei tot de rivieroevers. De nog laat voorkomende voorjaarevo^ten en de droogte van den zomer doen de periode van IKt z ichtbare plantenleven tot ruim drie maanden inkrimpen: Maart tot einde Mei. Dan wordt de zomerhitte reeds zoo hevig, dat het plantu kleed verschroeit; op de dorre, heete vlakte trilt de lucht en 111 de yerte vwtoont zich soms de fata morgana, de luchtspiegeling. Als 111 October en November de regenhoeveelheid, die het geringst was in September, weer iets toeneemt, en vooral als de verdamping bij dalende temperatuur afneemt, herleeft de plantenwereld nog eens, maar minder weli^ dan

De\iodenTbestaat meest uit zand, dat over groote uitgestrektheden zich als stuifzand vertoont, op andere plaatsen met heide is bedekt, verder uit löss (dit meest langs de randen), rivierafzettingen en veen. De plantengroei en de dierenwereld hebben het kennKTkeMK e van . le steppen: groote massa's individuen van dezelfde soort, doch wemig soorten. Pluimgrassen en andere grassen, ve e met wortS^t"kken , . zoogenaamde stroobloemen, tijloozen e.a. bedekken onafzienbare vlakten Ten langs de veenplassen groeit riet, dat met stroo en drogemest de brandstof voor de zwervende herders en de boeren ^yert Groote kudden paarden onder de hoede van csikos (spr. uit tsjikoos), ri indenui, schapen en varkens zwerven op de vlakten rond. Hier en daar steekt de voor 't landschap karakteristieke hefboom tegen den horizon af waarmee het drinkwater uit de diepe put moet worden opgehaald. Vaak ligt dan een csarda, eene steppenherberg ,111 de nabijheid.

De spoorwegen hebben in menige streek, die daarvoor geschikt bleek

af, waarmee net arinnwaier uu uc 1»' ■--i

Vaak ligt dan een csarda, eene steppenherberg,111 de nabijhe d

De spoorwegen hebben 111 menige streek, cue daarvoor te zijn, den landbouw in 't leven geroepen, zoodat de poesta1 1 nden ouderwetschen zin al heel wat beperkt 's geworden. Wanneer de zomerregens echter te ver beneden het gemiddelde blijven, dreigt de oo^st te mislukken.

Sluiten