Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het N. en Z. een woestijn karakter heeft, in 't midden, in Nedsjed, grassteppen vertoont, waar de beroemde Arabische paarden te huis behooren.

Afgezonderd ligt nog het Voorindische hoogland, waarvan de zuidelijke driehoek den naam van hoogland Dekan draagt.

Ten N. van het groote Aziatische hoogland ligt een uitgestrekt laagland, dat door eene heuvelachtige waterscheiding wordt verdeeld in de groote Siberische laagvlakte, met afstrooming naar de IJszee, en het laagland van Turkestan, welks rivieren in nieren uitstroomen. Naar het O. wordt het Siberische laagland veel smaller, zoodat het zich eindelijk tot eene smalle strook langs de IJszee bepaalt, terwijl oostelijk Siberië grootendeels een heuvel- en laag bergland is.

Tusschen het Syrische en het Iransche hoogland ligt het lage, vlakke Mesopotamië van Tigris en Euphraat, terwijl tusschen den Himalaja en het Voorindische hoogland de Voorindische of Hindostansche laagvlakte ligt, die in het O. (Ganges gebied) zeer vruchtbaar en dicht bevolkt is.

Ten O. van het Achteraziatische hoogland ligt, langs de Oostchineesche zee, de vruchtbare, zeer bevolkte Chineesche laagvlakte.

Mantsjoerije, dat daarvan ten NO. ligt, heeft bergketenen, waartusschen breede dalen en vlakten liggen.

§ 53. Rivieren. Een groot deel van het groote Aziatische hoogland binnen de randgebergen heeft geene aftrooming naar den oceaan. Het daar vallende water, voorzoover het rivieren vormt, eindigt zijn' loop in zoutwaternieren of zoutmoerassen. 't Zijn stepperivieren. De grootste zijn de Tarim, die in het tegenwoordig bijkans tot een moeras uitgedroogde meer Lob eindigt, en de Hilmend. Ook de laagvlakte van Turkestan heeft stepperivieren; de grootste zijn de Amoe en de Syr, die in het Aralmeer uitstroomen.

Naar de Noordelijke IJszee stroomen de Ob met den Irtysj, de Jenisséi en de Lena. Het verkeer op alle drie, op de laatste het meest, lijdt onder den kouden, langdurigen winter van Siberië en de noordelijke ligging der mondingen.

Naar het O. stroomen de Amoer, die in de ondiepe Tata-

Sluiten