Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

STROOMVERSNELLING VAN DEN NIJL.

(Zie nevenstaande plaat).

Kenmerkend voor den oppervlaktevorm van Afrika is, dat het hoogland, waaruit het bijna geheel bestaat, op de meeste plaatsen hooge randen vertoont, en een gevolg daarvan is, dat de uit het binnenland komende rivieren, vóór zij de kust bereiken, door den hoogen rand brekende, tot dicht bij de monding watervallen en stroomversnellingen vormen, hiervan geeft de Nijl eenige voorbeelden, het laatst bij Assoean, waar hij de eerste (eigenlijk de laatste) katarakt vormt. Hier heeft de rivier door de kalksteen- en zandsteengebergten (links de l.ibysche hoogvlakte, rechts het kustgebergte van de Roode zee, de zoogenaamde Arabische woestijn) een smal, vrij diep dal uitgeslepen. Dwars door deze betrekkelijk gemakkelijk uit te slijpen gesteenten strekt zich hier tusschen Assoean en het eilandje Philse, dus boven Assoean, een granietdam uit. Ook hierop beproefde de Nijl zijne krachten en hij is er in geslaagd het harde gesteente te doorbreken en ten deele te verwoesten. Maar niet zoo spoedig was hij hiermede gereed, als met de andere gesteenten en een chaos van groote en kleine klippen bleef over, waarover de rivier nu heen bruist. De toeschouwer wordt verondersteld op den Libvschen, dus den linkeroever, te staan, ongeveer 4 KM. ten Z. van Assoean. De rivier stroomt naar 't N., dat is op de plaat naar links, wendt zich daarop (buiten het kader der plaat) met eene bocht naar rechts en over de donkere granietklippen heen ziet men in de schemerende verte de rivier nog eens voor den dag komen en op haren oever de dadelpalmen van Assoean en daarboven uit steken de lichtkleurige rotsen van het l.ibysche woestijnplateau. De rivier is voorgesteld bij haren laagsten stand (100 a 150 M. breed), zoodat vele rotspunten boven het water uit steken, andere even onder de wateroppervlakte deze doen kroezen en golven en een geheel labirynth van granietklippen tot op den voorgrond reikt. Bij hoogen stand staan ook deze meest onder water. Rechts op den voorgrond, in een straatvorming afstroomingskanaaltje, is het donkerkleurige Nijlslib blijven liggen, dat daar bewijst, hoe ver het water bij hoogen stand reikt. Hier bedraagt het verval 5 M. per KM. In den loop der eeuwen is het de uitslijpende kracht van het rivierwater gelukt dezen en de verder stroomopwaarts gelegen dammen steeds verder uit te slijpen, zoodat zij steeds in mindere mate nuttig als natuurlijke stuwen werken, die het water bij hoogen stand ophouden, en het gedeelte van het dal, dat van de slibaanbrengende overstrooming voordeel kan trekken, steeds kleiner werd. Door groote gemetselde stuwen heeft men nu in den laatsten tijd weer in aanzijn geroepen, wat langs den natuurlijken gang van zaken veroordeeld was om te verdwijnen. Zonder de overstrooming toch zou Egypte ophouden eene lange, smalle oase ter weerszijden van den Nijl dwars door de Sahara te zijn.

Sluiten