Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE ADELSBERGER DRUIPSTEENGROT. (Zie nevenstaande plaat).

ij,,, oostenriiksche Karstgebied tusschen den bovenloop der Save en de Adriatis"h" Ji" V u,et zijne wonderlijk gespleten en over elkander heen . y ii. en kriitsteengebergten, bekend om de vele eigenaardige

vormen en \ès^hljnselen, die 'le oppervlakte van het landschap zoowel als Hn de dSTlegen lagen vertonnen. Dikwijls kale hoogvlakten, waarin t ilriike trechtervormige diepten, zoogenaamde „dolinen ; scherpkantige, woest vertakte ketenen " w^rtusscVn diep ingesneden dalen ; dus naar

alle zijden gesloten dalen, zoogenaamde „poljes , dit zijn oppemawe 1 die hier zeer veel voorkomen, het aantal „dolinen neemt m sommige Karststreken nog voortdurend, en dan dikwijls door instorting van Ke™ toe Verder zijn nog kenmerkend voor het Karstgebied de vete verdwijnende rivieren en de vele grotten. van welke sommige wel andere niet stroomend water bevatten. Reeds is de loop van een gedeelte der \e dwijnende rivieren (men zie het bovenaardsche deel van enkele op het t blad Kustvormen van Furopa" Dalmatisehe kust in 1'. K. Bos, Schoolatlas!) üagespoord. Sommige verdwijnen in den kalkbodem, zetten haren loop een eind onderaardsch voort en verschijnen dan weder aan de oppervlakte,

soms nog eens weer te verdwijnen. Fr zijn er ook, die md_weer ^schijinen, mrir onder de zeeoppervlakte uitmonden en op eenigen afstand van de k . als eene zoetwaterbron te midden van de zee opwellen. In haar onderaardsche loon hebben zij dikwijls sterk vertakte, nu eens wijde, dan weer smalle soms hooee dan zeer lage kanalen uitgeslepen, daarbij niet onwaarschijnlij reeds aanwezige onderaardsche spleten volgende. Waterval en, stroomversnellingen , meervormige verbreedingen, verlaten beddingen, al deze verschij isde heeft men onderaardsch kunnen opmerken. In sommige grotten treft me druinsteenvorniing aan. Het ontstaan hiervan heeft in den langen loop der tijden plaats gehad als volgt. Koolzuurhoudend water lost deelen van den kalkbodem op, waar het door sijpelt, voert de zoo gevormde dubbdkoolzure kalk in opgelosten toestand mede en verschijnt als droppels aan den zolder van eene grot of droppelt op den bodem van deze neer. Bij de verdamping ontw iikt ee7 gedeelte van het koolzuur en een dun laagje koolzure^ka k wordt afgezet. Zoo ontstaan ijskegelvormige kalklichamen, neerhangende ; den zolder ( stalaktieten") of op den bodem staande „stalagmieten . Groeien Sïetoln-JLISKk samen, dan ontstaat een druipsteenzuil Op deze w„ze worden de meest fantastische vormen geschapen: afzonderlijke kegels e zuilen grootere groepen en op allerlei wijzen samengewassen orgel-, 2°™ij vormen enz. Soms zijn de kalklichamen zuiver wit, soms ook foor de aanwezigheid van eene ijzerverbinding enz. meer of min rose gekleurd.vten vindt denreliike ook buiten de Oostenrijksche Karst, als in Belgie <(groty1al Han) den Harz (Baumannshöhle, Bielshöhle), Westfalen (Dechenhohle), Kentuckv (Mammouthshol) enz. De bijgaande plaat stelt voor een 'gezichttin de Adelsbereergrot in Krain, en wel den zoogenaamden „Calvarienberg (Goli?otha berg der kruisiging, kerkhof, lijdensweg). Men kan tegenwoordig langs een 'onderaardschen spoorweg een deel van de Adelsberger grot bezoeken waarvan het meest beroemde gedeelte wel de genoemde Calvarienberg is.ee 40 M. hooge onderaardsche heuvel, waarboven zich op eetiehoo^

het gewelf vertoont. Op den heuvel staan honderden groote e"kleme^,f"^te' als zoo vele grafmonumenten, en van het gewelt hangen kleine stalalrtieteri af De schemerige verlichting met een paar fakkels doet het geheel nog meei fantastisch schijnen. De in lateren tijd ontdekte en drukbezochte grotten hebber S de oorzakelijke kleur zuiverder bewaard doordien men mende fakkels of petroleumlampen verlicht, maar dikwijls electnsch licht gebruikt

Sluiten