Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staken de Romeinen, over de Noordzee de Denen en de Angel-Saksen, over het Kanaal de verfranschte Normandiërs. Nadat het Keltische element grootendeels naar de noordelijke en westelijke berglanden en naar Bretagne was verdrongen, r.molten die bestanddeelen samen en ontstond op Britschen bodem een volk, dat ten volle berekend was en door de omstandigheden het steeds meer werd, gebruik te maken van de groote voordeelen, die in den tijd, waarin de oceanen het gebied van den wereldhandel werden, dit eilandenrijk aanbood. Zoo kunnen de kansen in den loop der tijden keeren! Lag Groot-Brittannië in de oudheid eenzaam en afgezonderd, in onzen tijd, nu het wereldverkeer de Middellandsche zee niet meer als zijn hoofdgebied beschouwt, is 't het brandpunt van den wereldhandel.

Groot-Brittannië en Ierland zijn omgeven door verscheiden eilanden en eilandengroepen: bij de zuidkust het schoone Wight, in de Iersche zee Anglesea en Man, bij de Schotsche kusten de rotsachtige Hebriden en de Orkaden, meer afgezonderd de Shetlandeilanden. Tot het Britsche rijk behooren nog de Normandische eilanden bij de Fransche kust, de rotsvesting Gibraltar bij den ingang van de Middellandsche zee, de Maltagroep bij de Siciliaansche straat.

Groot-Brittannië is in het ZO. een laagland, waar heuvelrijen, als 't ware ontspringende uit de vlakte van Salisbury, waaiervormig uit elkander loopende, zich door heen uitstrekken. De zuidelijkste strijkt langs de zuidkust; de tweede bereikt deze kust bij Dover; de derde omsluit aan de oostzijde de lage polderstreken bij de Washbaai en de vierde, zich als het Centraal Tafelland verbreedende, slaat eindelijk eene geheel noordelijke richting in, om den Humber over te steken en als York Moors ten N. van Huil te eindigen. De Theems en de Humber (vereeniging van Ouse en Trent), beide met breede mondingen, zijn de hoofdrivieren der vlakte.

Het W. en N. van Groot-Brittannië is bergland, maar tusschen beide in schuivende vertakkingen van het laagland, waarlangs dikwijls rivieren den weg naar zee namen, verdeelen het bergland in groepen en bovendien doorsnijden ook smallere laagten de gebergten, zoodat nergens over groote afstanden

Sluiten