Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DERDE LEERKRING.

A. DE AARDE ALS HEMELLICHAAM.

§ i. De Hemelbol. Iedereen, die het hemelgwelf beschouwt, is het middelpunt van een grooten hollen bol, die met de schijnbaar in dit boloppervlak gelegen hemellichamen om zijne as schijnt te draaien. Dien bol, waarvan "men slechts de helft ziet, noemt men hemelbol. Omdat de Aarde, vergeleken met den hemelbol, zeer klein is, mag men als middelpunt van den hemelbol het middelpunt der Aarde aannemen.

De hemelbol draait, althans schijnbaar. Wij zien ééne ster, die zich niet beweegt: de Poolster. De dichtbij haar geplaatste sterren schijnen in 24 uur cirkeltjes, de verder van haar af staande sterren schijnen in denzelfden tijd groote cirkels te beschrijven, 0111 punten, die alle gelegen zijn in de lijn, welke we door de Poolster en het middelpunt der Aarde kunnen trekken. Die lijn is dewereldas. Waar de wereldas den hemelbol snijdt, zijn de hemelpolen, nl. de noord-en de zuidpool. (Eigenlijk beschrijft ook de Poolster nog een klein cirkeltje, daar zij 11/3° van de hemelpool af zit.)

De vertikaal gaat voor iedere plaats op Aarde door het middelpunt. Waar de vertikaal van eene plaats den hemelbol snijdt, ligt in de zichtbare helft van dezen bol het toppunt of zenith, in de onzichtbare helft het voetpunt of nadir van die plaats.

Elk vlak dat door de vertikaal gaat, heet vertikaal vlak. Gaat een vertikaalvlak voor eene plaats door de wereldas, dan is dit vlak het meridiaanvlak voor die plaats. De cirkel, volgens welken dit vlak het vlak van den hemelbol snijdt, is de meridiaan van die plaats.

Sluiten