Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De richting tier passaatwinden. In de aequatoriale streek is de warmte der lucht het grootst. De daar sterker en over grootere uitgestrektheid dan elders zich opwaarts bewegende luchtdeeltjes moeten, zal het verbroken evenwicht worden hersteld, worden vervangen door van het N. en Z. toestroomende lucht. Deze toestroominu; zou op het noordelijk halfrond een noorden-, op het zuidelijk halfrond een zuidenwind moeten zijn. Toch is zij in werkelijkheid een noordoosten- en een zuidoostenwind. Men zoekt de verklaring van deze afwijking in de draaiing der Aarde, waardoor de bedoelde winden (passaten) in streken komen, welke zich sneller bewegen dan die welke zij hebben verlaten. Zij moeten dus bij de beweging der dichter bij den aequator gelegen deelen achterblijven en veranderen alzoo in noordoosten- en zuidoostenwinden.

De afwisseling van dag en nacht laat zich, wanneer wij aannemen, dat de Aarde om hare as draait, zeer goed verklaren. Dag is het, wanneer onze woonplaats naar de zonzijde is gekeerd en de zonnestralen ons dus nog kunnen bereiken; nacht is het, als dat gedeelte der aardoppervlakte, waar wij wonen, van de Zon is afgewend.

§ 8. Jaarlijksche beweging der Zon. In den winter duurt de dag korter, in den zomer duurt hij langer dan een etmaal. 21 Juni in de langste, 21 December de kortste dag. De Zon komt in den zomer ten N., in den winter ten Z. van het oostpunt op. Zij staat dan dus juist in den aequator. De declinatie der Zon verandert derhalve met eene periode van een jaar.

Wanneer we bij den ondergang der Zon naar eene ster zien, wier loopbaan ongeveer met de zonnebaan samenvalt en die dan juist culmineert, dan zien wij de helft van den boog, dien zij boven den horizon beschrijft, tusschen haar en de Zon liggen. Herhalen wij onze waarneming na eenige dagen, dan zien wij, dat de afstand tusschen die ster en de Zon kleiner is geworden. Eindelijk wordt de afstand = o, en na een jaar is de Zon de ster weer tot op de helft van haren dagboog genaderd. De rechte opklimming der Zon verandert dus ook met eene jaarlijksche periode.

De Zon schijnt dus ten opzichte van de sterren jaarlijks eene

Sluiten