Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als buitenste en binnenste grens tier passaten kan men de volgende aannemen.

Maart. September.

Atl. oc. Groote oc. Atl. oc. Oroote oc.

NO. passaat . . 3 NB. 25 5 NI;. 35 11 NH. 30 10 NIS.

Aequat. wind-

stiltengordel . 3 NB. aequat. 5 3 NB. 10 3 ZB. 10 7 NB. ZO. passaat . . aequat. 25 ZB. 3 NB. 28° ZB.|3 NB. 25 ZB.,7 NB. 20 ZB.

De warmte-aequator ligt voor de oceanen (ook voor de continenten) ten N. van o° breedte.

Naar de poolzijde der (oceanische) subtropische windstilten gebieden met hoogen druk waaien voorheerschend zuidwestenwinden, zonder dat hier echter sprake is van eene standvastige windrichting, zooals in de passaatstreek. Vooral in Januari bewegen zich de winden boven den Nooi d-Atlantischen en den Noord-Pacifieken oceaan om een minimum, op welks aequatorzijde West-Europa en westelijk Noord-Amerika, op welks poolzijde oostelijk Noord-Azië en oostelijk Noord-Amerika liggen. Eerstgenoemde landen hebben daardoor meest ZW.-, laatstgenoemde meest NW. winden. De eerste komen van de zee-, de laatste van de landzijde. Vandaar het groote verschil in klimaat tusschen de west- en de oostkusten der noordelijke continenten op hoogere breedten. Op het zuidelijk halfrond zijn de westelijke winden buiten de keerkringen sterk voorheerschend. Zone der veranderlijke winden, d. z. dus voorheerschend westenwinden, wordt de gordel, naar de poolzijde van de subtropische windstilten met hoogen druk geheeten, omdat barometrische minima dit gebied in alle richtingen, meest echter van W. naar O., doorkruisen en eenzelfde punt der aardoppervlakte afwisselend winden uit den eenen of den anderen hoek kan hebben, al naar het op de pool- of op de aequatorzijde van de baan van het minimum ligt.

§. 22. Moesons en Subtropische winden. Ruim 1/4 der aardoppervlakte is vastland en op het noordelijke halfrond staan land en water zelfs tot elkaar als 2 : 3. Daar nu land en water zeer verschillend zich verhouden tot de verwarming en

Sluiten