Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ten gevolge hiervan in winter en zomer de luchttemperaturen op gelijke breedten tegenstellingen moeten vertonnen, iets wat ons reeds uit de isothermenkaarten duidelijk is geworden, zullen tegenstellingen in luchtdruk in de benedenste lagen niet kunnen uitblijven. Wij merkten ze dan ook reeds op op de isobarenkaarten. Het schema der luchtstroomen, in de vorige § geschetst, zal dus, vooral op het noordelijke halfrond, aanzienlijke wijzigingen moeten ondergaan. Deze wijzigingen zullen, gevolgen als zij zijn van de temperatuursverschillen tusschen land en zee, niet de jaargetijden zich moeten openbaren en analoog zijn niet de dagelijks wisselende land- en zeewinden (§ 19)" Gevolgen als de eerste echter zijn van groote, lang aanhoudende verschillen in barometerstand over groote oppervlakten, zullen zij zich niet, als de land- en zeewinden, beperken tot eene dagelijksche luchtuitwisseling in de kustzone, maar zich maandenlang staande houden en over een groot deel van continenten en van aanliggende oceanen waaien. Dit zijn de jaargetijdewinden of moesons. Nergens zijn deze sterker ontwikkeld dan langs de zuid- en oostkusten van Azië, het grootste werelddeel, waar boven we immers ook de diepste (zomer) zoowel als de hoogste (winter) continentale barometerstanden op de isobarenkaarten zien aangegeven. De richting der pijltjes laat zien, dat we daar als 't ware met eene reusachtige uitademing in den winter, eene kolossale inademing in den zomer te doen hebben. Natuurlijk wordt de richting der luchtstroomen in de eerste plaats bepaald door de ligging der groote maxima en minima onder invloed van de werking der aardiotatie. Als ondergeschikte factor laat zich verder gelden liet bodemreliëf, zooals op de isobaren kaart voor Januari b. v. blijkt, wanneer de hooge Himalaja de afstrooming naar het ZAV. verhindert, zoodat de uit Voor-lndië afstroomende lucht dan ook slechts uit Voor-lndië zelf afkomstig is. We maken hieruit de gevolgtrekking, dat de moeson haar grond vindt in de luchtdrukverschillen in de benedenluchtlagen; hooger in den dampkring heerschen meer de algemeene atmosferische strooiniiigeii. Den invloed van het bodemreliëf merken wij ook in de üangesvlakte, waarlangs de lucht in de beide jaarhelften als langs

Sluiten