Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Indischen Archipel. Dit is de NW. moeson. Deze ontstaat op het Australische vastland reeds in December en breidt zich in Januari en Februari uit, naarmate de depressie dieper wordt. De Kleine Soenda eilanden, het dichtst daarbij gelegen, krijgen dus het eerst de NW.- en W.-moeson: in Februari heeft deze gewoonlijk reeds de volledige heerschappij over den Indischen Archipel ten Z. van den aequator. Door de zuiging, die de Australische depressie uitoefent, gaat de NO. passaat ten O van Borneo reeds in een N. wind over. Deze West-moeson van het zuidelijk gedeelte der Archipels duurt tot Maart, maar zij vermindert dan reeds in kracht en wisselt reeds met andere winden af. In April is zij verdwenen. De kentering treedt hier in en daarop begint voor de zuidhelft van den Archipel weer de periode van de ZO. passaat (ZO. moeson geheeten).

§ 23. Locale winden. Van de land- en zeewinden, de berg- en dalwinden is reeds gesproken. Dit zijn periodiek locale winden. Er zijn er ook nog niet periodiek, die om den invloed, welken ze op de streken waar ze waaien, uitoefenen, ter sprake mogen komen. Zoowel de warme kusten van Provence als die van het noorden der Adriatische zee grenzen aan koude hoogvlakten: Cevennes en Karst. Wanneer nu op de hoogten een krachtig maximum ligt of van de zeezijde een minimum nadert, stort zich de zware koude lucht omlaag. Daarbij rijst natuurlijk de temperatuur der vallende lucht, maar deze blijft gewoonlijk nog aanzienlijk kouder dan de lucht van de warme kustzone en de zee. De valwind komt beneden als een koude, hevige droge wind en is als Mistral in de Provence, als Bora in de noordelijke streken der Adriatische zee gevreesd.

Als eene uitgestrekte depressie Europa's westkusten van over den Atlantischen oceaan nadert, wordt van uit de naar het NW. openliggende dalen der Alpen de lucht gezogen. Over de bergkam zet de zuiging zich dikwijls voort en langs de dalen en passen stroomt dan lucht van de zuidzijde toe. De opwaarts waaiende wind geeft de meegevoerde damp grootendeels af en stormt neer in de op het NW. gerichte dalen op de noordzijde der Alpen al dalende steeds warmer en dus ook droger wordende. Deze wind, in Zwitserland Föhn geheeten, is in het voorjaar

Sluiten