Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tafellanden vormt (bijv. liet Eichsfcld in Thiiringeu), door hare armoede aan bronnen minder geschikt is voor landbouw en bewoning; waar zij echter zout bevat, is soms eene dichtere bevolking samengestroomd (Hallein, Berchtesgaden). Wat van den schelpenkalksteen is gezegd omtrent de armoede aan bronnen , geldt ook van vele andere kal kisteen ten. Zeer sterk treedt dit karakter op den voorgrond in de Karstgebergten.

De sedimentgesteenten, die hun' oorsprong aan planten te danken hebben, zijn als brandstof voor den mensch van het hoogste belang: anthraciet of glanskool, steenkool, bruinkool en veen, in deze volgorde neemt bij hen het koolstofgehalte af. Verder hebben we nog de aandacht te vestigen op een paar koolwaterstofverbindingen, nl. asphalt, waarvan men zich als plaveisel bedient, en petroleum ( steenolie), dat in Noord-Amerika (Pennsyl-vanië en Canada) en verder op verschillende plaatsen in Europa het meest Kaukasië en Galicië, ook elders, als op Java en Soematra, wordt gevonden.

Als voorbeeld van een laagsgewijs afgezet gesteente gaat hierbij een plaatje, voorstellende een gezicht op de Fransche krijtkust

ten N. van den Seinemond.

§ 31. Het archaeïsche tijdvak. Men onderscheidt 111 de geschiedenis van de sedimentgesteenten der aarde 5 tijdvakken. Het eerste is het archaeïsche, ook wel het prozoische tijdvak genoemd, waarvan de gesteenten, zooals de tweede naam aanduidt, waarschijnlijk geen overblijfselen van levende wezens bevatten maar zeer rijk zijn aan nuttige delfstoffen, als metalen, ertsen, kalksteenen, graphiet en edelgesteenten. De meeste edelgesteenten, alsmede goud en platina, worden ook gewonnen door het wasschen van puin en aarde, die door verweering en verkruimeling van de oudere gesteenten zijn ontstaan. Menigmaal vindt men stofgoud en edelgesteenten in de rivierslib. De gesteenten, die tot het archaeïsche tijdvak behooren, zijn oude leien, glimmerleien, gneis en graphiet.

§ 32. In het palaeozoïsche of primaire tijdvak onderscheidt men de silurische, (naar de Siluriërs, die ten tijde der Romeinen in Wales leefden) de devonische, (naar Devonshire) de steenkolen- en de dyas- (Gr. dyas = tweeheid) of permsche

Sluiten