is toegevoegd aan uw favorieten.

Leerboek der land- en volkenkunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werkt, waarom er dan ook veel gebruik van wordt gemaakt voor 't vervaardigen van ornamenten aan en in gebouwen. Bekend is het, dat de berg een geheelen doolhof van gangen heeft, ontstaan, doordien er bouwsteen is uitgehaald. Men vindt in het Zuidlimburgsehe tufkrijt zeer dikwijls ware lagen van vuursteenknollen. Weinige plekken op aarde zijn voor den palaeontoloog merkwaardiger dan de streek van het Maastrichtsche krijt, waar o. a. fossielen van eene menigte plaatkieuwige weekdieren, zeeëgels, nautilussen, koralen, zeeschildpadden en den mosasaurus (= Maashagedis, een reusachtig dier van ongeveer 8 M. lengte) zijn gevonden.

Tot de krijtformatie behoort in Nederland ook nog eene zandsteensoort, nl. de bekende Bentheimer steen, die veel als bouwsteen wordt gebruikt; men vindt die nl. op eene diepte van 5 M. onder de oppervlakte bij Losser.

§ 34. Het Kaenozoïsche (Gr. kainós = nieuw.) ofTertiare tijdvak wordt naar de overblijfselen uit de organische rijken in twee afdeelingen gescheiden: de eocene (Gr. eós = morgenrood; kainós = nieuw, dus de eocene formatie = de formatie van het morgenrood van den nieuwen tijd.) en de neogene (Gr. néos = nieuw; génesis = vorming.) De tertiaire gesteenten zijn van zeer verschillenden aard. Vaste conglomeraten van kalken zandsteen (nagelfluh), kalk- en zand- en leisteen behooren er evengoed toe als zachte, groenachtige zandsteen (molasse), zand, leem (o. a. de tertiaire leemgronden van Eibergen en Winterswijk, die slechts op enkele plaatsen aan de oppervlakte komen, maar hier en daar worden gedolven en het materieel leveren voor steenbakkerijen) en tegel (eene blauwe mergelsoort). De tertiaire gesteenten, die in zeewater zijn ontstaan, zijn rijk aan zout, gips, zwavel en petroleum; de lagen, die in zoetwater zijn bezonken, bevatten veel bruinkool, zoodat men het tertiaire tijdvak wel eens het bruinkooltijdvak noemde. Ertsen, met uitzondering van ijzerertsen, vindt men in de tertiaire gesteenten maar zelden. De ammonieten en de belemnieten zijn geheel verdwenen; daarentegen verschijnen voor het eerstgroote zoogdieren.

Europa vertoont zich in de tertiaire periode als een vastland,