Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat door vele zeearmen wordt doorsneden; liet klimaat is in die periode, te oordeelen naar de overblijfselen van altijdgroene wouden en van zoogdieren als tapirachtigen, mastodonten, muskusdieren en apen, veel warmer dan tegenwoordig.

De lagen uit de eocene formatie vormen de bekende tertiaire bekkens van Londen en Parijs. In het laatste wisselen elkaar driemaal zee- en zoetwatervormingen af, kalk- en zandsteenen vormen het hoofdbestanddeel van deze tertiaire gesteen'en. In het tertiaire bekken van Londen nemen taaie bruine of blauwgrijze leem en mergel de grootste plaats in. In de Alpen en de Karpaten (langs de buitenranden) vindt men eocene gesteenten, nl. nummulietenkalksteen (Van „nummus" = een penning, naar de talrijke muntvormige schalen van foraminiferen.) en eene soort van zandsteen, die bijv. in het Weener woud en in de Karpaten voorkomt. De nummulietenkalk is over bijna de geheele Oude Wereld verbreid. Langs den noord- en noordwestrand der Alpen bestaan de voorbergen der Alpen voor een groot deel uit nagelfluh. In Noord-Duitschland, vooral in de Rijnsche, de Saksische en de Silezische bocht, zijn de tertiaire vormingen rijk aan bruinkool. In Nederland vinden we tusschen Sittard en Heerlen witten zandsteen en bruinkool, die de voortzetting vormen van de Noordduitsche tertiaire gesteenten.

Ook de lagen van de neogene formatie hebben dikwijls bekkens gevormd, o. a. het Weener bekken, waarin eveneens zout-, brak- en zoetwaterlagen elkander opvolgen. De Leithakalk levert bouwsteen voor Weenen. De neogene vormingen zijn in Bohemen, Stiermarken, Hongarije en de Karpatenstreek rijk aan bruinkool; aan weerszijden van de Karpaten leveren zij steenzout: Wieliczka, Bochnia in Galicië (= zoutland) en de zoutlagen van Hongarije en Zevenburgen.

Tot de jongste neogene formaties behoort ook de crag, grootendeels uit mergels en zand met vele molluskenschalen bestaande, een gesteente, dat hoofdzakelijk te huis behoort in de graafschappen Norfolk en Suftolk. Ook in ons land komt het voor, nl. bij St.-Jansteen, terwijl het te Goes op eene diepte van 60 M. is gevonden. In Italië strekken zich jonge tertiaire gesteenten aan weerszijden van de Apennijen uit.

Sluiten